12 13th, 2008

Op deze pagina kunt u getuige zijn van het ontstaan van mijn vierde poëziebundel. Uiteraard is het mogelijk dat er nog spelfouten of “onhandige”zinnen in staan. Dat wordt in de loop der tijd gecorrigeerd.

HET VOORDEEL VAN DE TWIJFEL
De dichter
Terwijl mijn ogen
Het mes tussen de tanden hebben
Spreek ik in het gevlij
Tot de presenten

Het klaphout brandt in hun oren
Want wie de luister bijzet
Is oor voor de tongval
die mijn mond uitknijpt.

Er valt een stilte
Die twee kanten heeft
Het roemloos heengaan
Mijn hartslag wedijvert met billenkoek
Tijd neemt eeuwigheid
De long applaudisseert
……………………………
dan barst het auditorium
en treedt de ovatie uit
mijn aarden vat nijgt
mijn naam grift in marmer
…………………………..
het is voorbij

Ziel

In spiegelschrift houdt het tijdbeeld
ons de fantasieën voor
van woeste wouden
waar duizend doden stierven

De primitieve pracht
verbijstert het vermogen
de spiegelsteen
in tijd te doorgronden

Niets van wat is
is krachtiger dan de ziel

die bezit is van de eeuwen

Nachtbraken

Het ontbreken van een hand voor ogen
geeft het maanloos duister
de avondschaduw van de liefde

Het voorbije trekt strepen
op een florissant behang
de oliepit gaf de geest
de goede tijd was onomstotelijk geweest

De fakkeldrager doet een laatste poging
om de minne de bezingen
maar twijfelt hopeloos
met welk woord te beginnen

Als een nachtkaars
gaat de zielenpret langzaam uit
haast ongemerkt
zoals in Turks Fruit

Wie telt de jaren
en gaat er met de vleermuis uit
ik stamel stomme stekeligheden
naar de reeds verloren bruid

Waarom zou de nacht toch steeds versomberen
terwijl de dag toch barst van wonderen
de doorleefde mens knarst de tanden
betast de duistere wanden
en droomt zich vlug een paradijs
waarin de liefde wedijvert
met de haat
er loopt een goot in elke straat
daar liggen vaak de mannen
die aan het kortste eindje trokken
zij hebben blaren op de billen
en dikke gaten in de sokken

Het zonloos denken
met een lumineus idee
verkleed de zwerver
op de laatste plee
zo donker als de nacht
licht het zachte avondfloers
te wachten op een Egyptisch duister

De flikkergloed en flonkerglans
belichten soms de leugen
waarop de liefde was gebouwd
dat kon ten slot niet deugen
want wie met glimhout vrijt
zich spiegelt aan verwachting
neemt het best de kaarsendomper
om de nacht te overleven
tenslotte duurt de dag maar even

Ik zie geen hand voor ogen
als ik naar de liefde kijk
wat doe ik hier
is niet mijn tijd al lang voorbij
waar wacht ik op in deze ambiance

Nee, laten we nou eerlijk zijn
het is toch geen gezicht
een man van drie en zestig
die droomt van blote borsten
en een aangeboden hals

Doe ik er niet beter het zwijgen toe
in een bescheiden seniorenbed
het leven heeft nu lang genoeg geduurd
dit is of was het

Hé, wat toevallig
ik had je wel verwacht
maar juist nu
juist vannacht

Nee nee natuurlijk zal ik zwijgen
dat is welhaast mijn beroep
ik ben de dichter zonder woorden
en verder een wijd geopend boek
wat fijn je hier te zien
zo liggend op mijn bed
het lijkt wel wat op vroeger
maar toen was ik aan zet

Kom streel mijn babyhuidje
en zuig wat aan mijn ouwe fluitje
dan zal ik zachtjes kreunen
op de maat van de muziek
de bloes gaat open
ik doe aan aardedonkere romantiek

De nachtwandelaar sliep
een groot gat in de dag
terwijl het nachtverblijf
was uitgelopen
tegen de gewoonte in
omdat de dagen korter werden
dan de nacht ertussenin

Wars van elke logica
trok de maan de zee op
tot het eb werd
en de springvloed
de bevruchting
van de kikker
proefondervindelijk
apetrots voorbij ging
aan de natte droom
van de dichter
die open stond
voor het sluiten
van de vrede
tussen zon en maan
die tegelijkertijd
aan de hemel wilden staan

Dan leg ik braaf
mijn armen om haar heen
en vrij een hele nacht
ik droom de witregel
geschreven op haar lijf
als ik geheel en zeker buiten kijf
haar borsten rollen laat
tussen mijn geile vingers
die het schaamteloze hijgen
tomeloos laat mainteneren
achter in de doortrapte kerk
die het gelijk vond op de preekstoel
waarachter de pastoor
de koorknaap kneep

Langdurig stilgezwegen
fluistert lover in de nacht
over poëzie en goudenregen
die een wolkenloze lucht verwacht
in de verte krijst een meeuw
de eenzame vuurtoren
strijkt haar lichtstraal
over de kabbelende zee
de schipper kust zijn vrouw
langs het strand sukkelt de zwerver
de neus voorzichtig in de wind
de halflege fles valt uit zijn zak
weer een dag geleden
aan het lange leven
dat maar geen einde kent
alsof dat went
de teksten in zijn hoofd
strijden om wat ruimte
zo overvol gedachten
zonder ergens was rust
gaat hij verder langs de kust
zijn laatst gelopen meter
zal ongemerkt voorbij gaan
aan een wereld
die de nacht gebruikt
om stiekem te verbergen
wat iedereen al lang weet

gisteren zei hij nog dat het hem speet

dat het niet expres was
en niet zo bedoeld
hij had het immers niet geweten
en eigenlijk niks misdaan
nee….hij daar… dat is een fraaie
hij ging de buurvrouw aaien
en die dikke om de hoek
hoe komt die aan die porche
waar kan die het van doen
zijn zakken puilen uit
van witgewassen poen
en dan die van hierachter
vermoedelijk een verkrachter
tenminste dat zeggen ze
ik zou het niet weten
van mij zul je niets horen
ik ben precies op tijd geboren
en ook mijn dood zal niet verrassen
zo om de vier vijf jaar ga ik verkassen
dan blijf je ongebonden
een beetje zonderling misschien
maar dat is altijd nog beter
dan dat ze in je hartzeer zien
Ik sterf met een bundel in de hand
want niemand wil hem kopen
een beetje dom naar ik nu meen
want het leven van deze dichter van de nacht
wendt zich steeds weer onverwacht

In een rood cafeetje in de Parkstaete
droomt de dichter zich in lege straten
waar alles wat hij zei
of wat hij stiekem heeft gedacht
nooit zichtbaar worden zal
na deze dwaze nacht

De ochtendzon bestaat nog niet
voordat hij komen mag

Mart Brok©
Parkstaete 4 april 2009

Trouw

De zwaan heft trots de hals uit het witte verendek
een lichte trilling legt het dons strak op de plek
de krachtige snavel draait langs de horizon
de pupillen tuuren in de vlakke verte

Traag komt het lichaam van de grond
gedragen door twee sterke poten
die de zwaan nog meer vergroten

Hij ziet gelaten om zich heen
de vlakte is verlaten
de rest van dit zwanenleven
mag de liefde niet meer praten

Zonder haar zal de tijd verzuren
tot een reeks van eenzame uren
de trotse drager van het monogame hoofd
heeft immers eeuwig trouw belooft

Toen zij hem daar liet staan
was het liefdesspel gedaan
hij waggelt trots de akker op
en zoekt daar wat te eten

In de verte schudt een zwanenpaar de veren
hij ziet het node aan
zijn tijd zal het wel duren
al zal het wel wat moeilijk gaan

Mart Brok©

Drinkebroer

Het nachtcafé dronk overdag
de resten van het ochtendgloren
Het laatste laveloze lied
ligt hopeloos verloren
op de kleddernatte stoep
Haastig springt de dikzak
in het braaksel en de poep
Kilo’s vet verbranden
in een vluchtig straatje om
Vergeten zijn de wantoestanden
bij de opkomst van de zon
Kerkklokken luiden pijnlijk
van verdoemenis en kwaad
Schuldgevoel heeft ogenschijnlijk
bij de drinkebroer geen baat
Met een dikke kater in het hoofd
neemt hij snel maar weer een slok
gisteren had hij immers nog beloofd
hang de vlag maar halfstok
Want vandaag begraaft hij morgen
in een zee van toekomstplannen
en de alcohol zal zorgen
voor het nachtelijk ontspannen

Geil

De lust naar lekker likken
loopt het water in de mond
de verlokking van de kwelling
maakt Tantalus tot een mopperkont
in het spel van hangen en verlangen
ligt het lokgeld voor het grijpen
waar het duister van gedachtegangen
laat de looie deur zich pijpen

Zomaar zinderend niet afkerig
speelt de snotaap met de vraag
was de geilheid wederkerig
ging de broek vanzelf omlaag
wat zou het mooi zijn als dat kon
zonder de zinnen te verliezen
dan sprong hij tot tegen het plafond
en pakte daarna snel zijn biezen

De grens verleggend over de porno heen
greep hij zijn piemel in gedachten
als doelwit van dit handgemeen
hij kon niet langer wachten
de puber van de droge oren
sprak plots een andere taal
hoog riep hij van de toren
kijk mij hier met mijn totempaal

Slaap

De nachtwandelaar sliep
een groot gat in de dag
terwijl het nachtverblijf
was uitgelopen
tegen de gewoonte in
omdat de dagen korter werden
dan de nacht er tussen in

Wars van elke logica
trok de maan de zee op
tot het eb werd
en de springvloed
de bevruchting
van de kikker
proefondervindelijk
apetrots voorbij ging
aan de natte droom
van de dichter
die open stond
voor het sluiten
van de vrede
tussen de zon en de maan
die tegelijk
aan de hemel wilden staan

Tentoonstelling

De spontane spettering
spat van het doordrochte doek
waar laag na laag
de wilde worsteling
ten grondslag ligt
aan een prettig samenzijn
van frisse vorm en kleur

De vrouw legt haar zielen
in een nest vol geheimen
die pas het daglicht zien
als de verwondering
een zekere rust heeft gevonden

De rijkdom aan bewust gekozen
en zorgvuldig bewaarde toevalligheden
schrijven telkens weer
een uniek verhaal
dat boeit tot in de laatste laag
waarin de beslissing besloten ligt
van de kritische kunstenares

Haar jongensachtige eerlijkheid
speelt met de deugdzaamheid
van een vrije vrouw
De opzet is per ongeluk
het resultaat expres

Mart Brok©